Passend onderwijs en de nieuwe rol van mentoren

puzzelstukjesWelke gevolgen heeft de invoering van het passend onderwijs voor mentoren? En zijn de gepeilde gevoelens van onrust onder een deel van de mentoren terecht?

Op veel scholen is in de aanloop naar 1 augustus 2014 aandacht geweest voor het team en daarmee voor de mentoren. Er zijn speciale informatiebijeenkomsten gehouden en in een aantal gevallen zijn docenten getraind in het overbrengen van de informatie op de andere teamleden. Bij deze scholen blijkt de angst het kleinst te zijn en men heeft reële verwachtingen over passend onderwijs. 

Het team is meegenomen in het vaststellen van de ondersteuningsbreedte en het omschrijven van het schoolprofiel. Al snel werd duidelijk dat de veranderingen beheerst kunnen worden en altijd binnen de mogelijkheden van de school liggen.

Helaas is het niet op alle scholen zo gegaan. Op die scholen heerst de grootste onrust over alle moeilijke kinderen die plotseling binnenkomen en de enorme hoeveelheid extra werk voor de mentoren. Vooral de onduidelijkheden in de wetgeving en de uitleg over de zorgplicht, de positie van ambulant begeleiders, het afschaffen van rugzakken en het al dan niet verplichte ontwikkelings- perspectief plan (OPP) versterkten de onrust. Op deze scholen is nog het nodige werk te verrichten. Als je als school een andere positie wilt innemen, zal je naast de mentoren ook vakleerkrachten en ondersteunend personeel moeten informeren en alle geledingen ervan overtuigen dat het voor de school beter is. De teams zullen bovendien moeten worden toegerust voor een andere of bredere ondersteuningsruimte.

Het is mooi als we deze doelen kunnen behalen, nog mooier als leerlingen gaan profiteren van deze veranderingen

Hieronder vindt u de echte veranderingen voor de mentor:

1. De ondersteuningsvraag van de leerlingen. Of er daadwerkelijk andere ondersteuning nodig wordt, hangt af van het profiel van de school. Als hierin andere doelgroepen worden toegelaten tot de school, dan verandert de groep leerlingen; dit zou binnen de school besproken en bekend moeten zijn.

2. Voor drie groepen leerlingen wordt het schrijven van een OPP verplicht: de leerlingen met een rugzak, de leerlingen in het praktijkonderwijs en de leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs. Dit OPP vervangt het handelingsplan en moet aan een aantal voorwaarden voldoen; het wordt met ouders en leerlingen vastgesteld in de eerste zes weken na aanvang van het onderwijs en jaarlijks met hen geëvalueerd. Het OPP gaat meer uit van de mogelijkheden van een leerling en minder van de belemmeringen.

3. De verbetering van de kwaliteit van het onderwijs is een belangrijk onderdeel van de veranderingen. Er moet meer aandacht komen voor handelingsgericht werken (HGW). Er wordt onderscheid gemaakt tussen basisondersteuning en extra ondersteuning; leerlingen met dyslexie vallen onder het basisarrangement, net zoals leerlingen met dyscalculie.

4. De rugzakken gaan verdwijnen en daarmee de ambulant begeleiders. De kinderen met een rugzak voor 1 augustus houden dit nog tot het verlopen van de geldigheid. Binnen twee jaar zijn de rugzakken uit het voortgezet onderwijs verdwenen. In enkele gebieden wordt de rol van de ambulant begeleider overgenomen door de begeleider passend onderwijs die niet alleen de leerlingen begeleidt maar ook handelingsadviezen kan geven aan het onderwijsteam.

5. Voor leerlingen in het vmbo met leerweg ondersteuning (LWOO) is het handelingsplan vervallen en er wordt geen verplichting opgelegd om een OPP voor deze groep kinderen te schrijven.

6. Met het vervangen van de term zorg in het onderwijs door ondersteuning zal de nieuwe benaming van het ZAT waarschijnlijk richting SOT gaan: school ondersteuningsteam; de begeleider passend onderwijs zal hier zeker deel van uit gaan maken.

7. Door de zorgplicht kan het zijn dat in gezamenlijkheid van scholen wordt besloten om een leerling waarvoor geen plek gevonden kan worden, alsnog op een school te plaatsen; dit zal altijd in overleg gaan en wordt als een gezamenlijke verantwoordelijkheid gezien; ieder kind moet per slot van rekening naar een school toe.

8. Aangezien het voortgezet speciaal onderwijs wordt opgenomen in het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs en het leerlingaantal begrensd is, kan het zijn dat er meer kinderen worden doorverwezen naar het regulier onderwijs; hier worden speciale arrangementen ingericht voor extra ondersteuning.

9. Communicatie binnen de school gaat een belangrijke plek innemen; mentoren zullen ook de andere docenten moeten gaan informeren over de specifieke ondersteuningsbehoefte van hun leerlingen en die docenten koppelen hun ervaring regelmatig terug naar de mentor; deze is meer dan nu vaak het geval is, de echte spil in de ondersteuning van het kind.

10. Voor het aanvragen van een plaats in het voortgezet speciaal onderwijs wordt de school waar de leerling zit verantwoordelijk; de ouders kunnen deze niet meer aanvragen; de aanvraag kan uitsluitend worden gedaan bij het samenwerkingsverband en niet meer bij de REC's. Per samenwerkingsverband kunnen criteria afgesproken worden waardoor er regionale verschillen kunnen ontstaan.

11. Alle opvangvoorzieningen en tijdelijke lesplekken worden ondergebracht in een orthopedagogisch didactisch centrum (OPDC); deze komen onder regie en verantwoordelijkheid van het samenwerkingsverband; de leerlingen blijven ingeschreven op de school van herkomst en keren na afloop van het verblijf in het OPDC weer in de reguliere school terug.

12. De rol van de ouders verandert ook. Bij aanmelding zijn zij onder andere verplicht alle relevante informatie met de school te delen en mag er niets achtergehouden worden; doen zij dit wel dan vervalt de zorgplicht; ook moeten zij zich conformeren aan de denominatie en de onderwijsfilosofie van de school. Bij de vaststelling van het OOP moeten de ouders betrokken worden en moeten zij zich kunnen vinden in de extra ondersteuning; loopt het overleg hierover op niets uit dan is er een geschillencommissie binnen de school actief die om een advies gevraagd kan worden.

De andere veranderingen spelen zich meer op organisatorisch niveau en buiten het gezichtsveld van de mentor af. Daar zal de mentor minder of niets van merken.

Het is spannend hoe alle veranderingen gaan uitwerken in de praktijk. In het eerste jaar zal er zeker gezocht worden naar oplossingen voor problemen die gaan ontstaan. Zaak om goed met elkaar te overleggen, de scholen om je heen goed te kennen en het contact met de ouders open te houden. Het toepassen van de driehoek school – ouders – leerling zal belangrijk zijn.

Vragen in de Tweede Kamer en vanuit de verschillende belangenverenigingen maken steeds een nieuwe onduidelijkheid zichtbaar. De politiek reageert hier betrekkelijk snel op en komt met aanvullende richtlijnen en uitleg op de nieuwe wetgeving. Voorbeelden hiervan zijn het niet verplicht stellen van een OPP voor leerlingen met LWOO, de inhoud van het OPP, de instelling van inspraakorganen om de belangen van de leerlingen en ouders te bewaken, het niet mogen testen van leerlingen 'aan de poort' zolang deze nog niet zijn aangenomen (de zogenaamde drempeltoetsen) en de onduidelijke positie van de ambulant begeleiders na 1 augustus 2014.

Het is dus zaak om de mededelingen uit Den Haag goed in de gaten te houden. Vaak zal een samenwerkingsverband dit doen, maar er ligt ook een verantwoordelijkheid bij de scholen.

Al deze veranderingen zullen uiteindelijk moeten leiden tot een verbetering van ons onderwijs, het terugdringen van thuiszitters, het beheersbaar maken van het voortgezet speciaal onderwijs en minder bureaucratie bij de verschillende procedures voor OPDC en VSO plaatsing. Volgend jaar volgt een soortgelijke operatie voor het LWOO en het PrO. Het is mooi als we deze doelen kunnen behalen, nog mooier zou het zijn als de leerlingen gaan profiteren van deze veranderingen.

Kees Blaauw is lid van de taskforce zorgcoördinatoren van NVS-NVL en werkzaam bij het samenwerkingsverband Koers VO, Rotterdam.

Blijf op de hoogte

Blijf op de hoogte van nieuws en actualiteiten door middel van onze nieuwsbrief.

Contact

Bureau NVS-NVL

Mauritsstraat 100
3583 HW Utrecht
tel: 030-2543929
bureau[at]nvs-nvl.nl

Openingstijden bureau NVS-NVL 
Maandag t/m donderdag: 09.00 tot 16.45 uur. 

Neem contact met ons op

Bij de Les

Back to top