Column Hugo van Gendt
Ieder jaar anders?
De zomervakantie is voorbij. Voor ons begint een spannend nieuw schooljaar: de nieuwbouw van het bijgebouw wordt in gebruik genomen, het experimentele eindexamen voor wiskunde zal voor het eerst worden afgenomen en we gaan het tweede jaar van ons ‘Delta’-onderwijs in. Als mentor van de Deltabrugklas ben ik heel benieuwd hoe goed we de ingezette lijn voor onze leerlingen door kunnen trekken.
Vorig jaar zijn we begonnen met wat we zelf het Deltaonderwijs hebben gedoopt. De aanleidingen om onze aanpak nog eens onder de loep te nemen waren divers: geluiden uit de maatschappij, zoals het nieuwe leren (iederwijs) en de Leonardoscholen voor meervoudig begaafde leerlingen, maar ook teveel uitval van begaafde leerlingen (‘hoogbegaafde onderpresteerders’) in klas twee en drie. Uitgebreid hebben we ons laten trainen door Tijl Koenderink, die de leerkrachten van Leonardoscholen begeleidde, en door Wim Marijnissen in een cursus creatief denken. Voor mij waren deze cursussen bijzonder zinvol, want ik huldigde tot tien jaar geleden de mening dat, als het leren voor sommige leerlingen zo gemakkelijk is, ze tenminste tijd over hebben voor sport en sociale vaardigheden. Zo eenvoudig ligt het niet, weet ik nu.
In het kader van de ontwikkelingen in ons onderwijs hebben we flink bijgelezen. Eerst Het puberende brein van Eveline Crone. Zij verklaart veel pubergedrag vanuit de neurowetenschappen. Leuk om te lezen, maar je leert niet hoe je met pubers moet omgaan. Dat pubers opstandig worden zonder dat ze daar iets aan kunnen doen, weet iedere opvoeder. Het idee dat we dat maar moeten laten gebeuren zonder consequenties (want ze kunnen er immers niets aan doen) is een foute conclusie die door velen wordt getrokken uit het boek van Crone. Niemand zal een puber zijn opstandigheid kwalijk nemen. Juist het feit dat ze er niets aan kunnen doen, geeft aan dat ze sturing nodig hebben; wij volwassenen moeten hun die geven. Bijzonder intrigerend en boeiend vond ik Op reis door je brein van onderzoeksjournalist Steven Johnson, over de nieuwste ontdekkingen in de neurowetenschappen.
In de zomervakantie, gezien het weer bijzonder geschikt om te lezen, heb ik ook nog twee ‘breinboeken’ soldaat gemaakt. Wij zijn ons brein van Dick Swaab is een goed leesbaar boek met veel informatie, maar de onderbouwing is hier en daar beperkt. Swaab trekt snelle conclusies uit een combinatie van zijn eigen hersenonderzoek en algemene kennis uit de filosofie en de psychologie. Een echte topper was voor mij Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt van Douwe Draaisma. Een boek dat veel vraagstukken betreffende het brein behandelt, met informatie uit alle relevante wetenschappen. Draaisma vertelt veel, geeft veel onderzoeksresultaten duidelijk weer (inclusief gebruikte methoden, steekproefgrootte en dergelijke) en geeft een reeks van mogelijke verklaringen. Conclusies trekken laat hij vervolgens aan de lezer over. Alle opgedane kennis moeten we in de naaste toekomst inzetten in ons (Delta-)onderwijs.
Wat hebben we vorig jaar precies gedaan in de Deltaklas? Met alle instrumenten die voorhanden waren zo goed mogelijk in beeld krijgen wat de beste aanpak voor de individuele leerling was, inclusief de aloude testen op leerstijlen (roos van Leary), testen op soorten intelligentie, gesprekken en observatie. Daarnaast regelmatig gesprekken met ouders (resonans-avonden) om het onderwijs nog beter te maken. Ik denk dat we voornamelijk hebben gedaan wat sommige oudere collega’s zal doen huiveren: de leerlingen meer eigenaar laten zijn van hun eigen onderwijs. Dat ging niet zozeer om de inhoud van de lesstof, want over het algemeen hadden de leerlingen het zo druk met de basisstof (waar ze ook erg hoge cijfers voor wilden halen) dat ze maar zelden vroegen om nog meer verdieping. Het ging vooral om de manier waarop de stof aangeboden werd. Over het algemeen waren de reacties bijzonder positief. Dat heeft ook geresulteerd in een goed gevulde nieuwe Deltabrugklas (met veel schoolgenootjes van leerlingen van de eerste Deltaklas).
Maar wat voor mij echt een openbaring is geweest: veel meervoudig begaafde leerlingen denken en leren echt anders dan anderen. Ze zijn best bereid om wat handelingen te automatiseren en woordjes te ‘stampen’, maar het is voor hen zoveel waardevoller om verbanden te doorzien en informatie te halen uit vakoverstijgende projecten. En aangezien het aanbieden van de leerstof in context voor de meeste lesgevenden ook veel leuker is dan de fragmentarische methoden die we zo goed kennen, zie ik uit naar het verloop van dit lesjaar.
Hugo van Gendt is decaan. Terug naar het oktobernummer van Bij de Les.