Column
Docent: lesgever of leerlingbegeleider?
door Hugo van Gendt
Op donderdag 31 september vond bij het APS in Utrecht de Nationale Gymnasiumdag voor categoriale gymnasia plaats, onder het motto: ‘Excelleren is een deugd’. Onder andere prof. dr. Frits van Oostrom van de Universiteit Utrecht (ooit president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) gaf hier zijn visie op het huidige onderwijs, met name verwijzend naar de excellerende docent.
Hij toonde veel enthousiasme over de inzet en kwaliteit van docenten uit het verleden en het heden, maar hief ook een waarschuwende vinger: doordat leerlingen steeds zelfstandiger (moeten) worden, wordt er te weinig gebruikgemaakt van de docerende kwaliteiten van de leerkrachten. Ik neem aan dat hij het niet erg vindt dat ik hem hier citeer (het is tenslotte niet de voorpagina van de NRC): ‘De docent komt binnen en zegt: “Pak je boek, neem pagina 32 tot 36 door en beantwoord de bijbehorende vragen. Als je iets niet begrijpt, steek dan je vinger op, dan kom ik je begeleiden in je leerproces.”’ Professor van Oostrom heeft natuurlijk gelijk als hij stelt dat er veel veranderd is in de laatste decennia en dat niet alle docenten daar even goed mee om gaan.
Nee, dan vroeger (want vroegûh was alles ‘betûh’), toen waren de lessen een heel andere belevenis.
Zoals bijvoorbeeld bij de lessen Latijn die ik zelf gevolgd heb. Op de gymnasiumafdeling van een scholengemeenschap (net ontstaan in het kader van de Mammoetwet, in 1969) hadden we een aantal keren per week blokuren (120 minuten) Latijn, van een van de meest gerenommeerde docenten van de school. Enige minuten na het begin van de les kwam hij het lokaal binnen. Hij trok zijn broek (eens per half jaar ververst) op aan de riem, klopte zijn pijp uit, stopte er een gehalveerde Havannasigaar in en stak de brand erin. Vervolgens vroeg hij wat het huiswerk was (dit was altijd vertaalwerk) en begon vervolgens de vertaling te dicteren. Wij dienden deze te noteren. Snel hadden we door dat kopiëren onze inspanningen aardig terug kon dringen. Eén op de vier leerlingen schreef mee en de rest diende zich maar te vermaken. Zo kon ik enkele malen per week terugtellen van 7200 seconden naar nul.
De twee genoemde uitersten zijn gelukkig schaars. De ouderwetse docent, die alleen dicteert, ben ik maar zelden tegengekomen (hoewel sommigen wel veel aan het woord zijn) en de docent die denkt dat leerlingen het liefst álles zelf uitzoeken, heeft inmiddels wel ontdekt dat dit slechts voor een enkeling geldt en dat de meeste leerlingen gebaat zijn bij afwisselende lesvormen. Het grote voordeel van de nieuwe lesmethoden, waarbij veel materiaal wordt geleverd in de vorm van uitwerkingen en verdiepingsopdrachten, is dat we ons steeds meer bewust worden van het feit dat leerlingen verschillend zijn en dus ook verschillend leren. Dankzij het uitgebreid gedocumenteerde materiaal hebben we meer tijd om ons daarmee bezig te houden; diegenen die zelf aan het werk willen kunnen dat en wie graag op weg geholpen wil worden en/of veel begeleiding wil, krijgt voldoende aandacht.
Daarnaast is er tegenwoordig meer tijd om bezig te zijn met de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerlingen en iets bij te dragen aan hun stelsel van normen en waarden, ook wel opvoeding genaamd. Een oud-collega van me, inmiddels rector op een andere school, reageerde laatst geschrokken toen ik zei dat ik me soms meer opvoeder dan lesgever voel. Hij had slechte ervaringen met nieuwe collega’s die hetzelfde argument hanteerden toen hun lessen in hun eerste jaren niet goed liepen. Je moet natuurlijk eerst fatsoenlijk les kunnen geven voor je je te veel bezig gaat houden met het sociaal welbevinden van je leerlingen. Lesgeven is tenslotte je voornaamste kerntaak. Maar naast het overbrengen van de lesstof op een voor de leerlingen zo aangenaam mogelijke manier, het enthousiast maken van leerlingen voor je vak (bijvoorbeeld door verder te gaan dan de verplichte lesstof) is opvoeden toch een belangrijke en vaak bevredigende taak voor ons.