33. Column door Nynke Bosma
Het standaardkind
Kom, zeiden ze, we bedenken een standaardmaat en daar moet iedereen aan voldoen. Zit je onder of boven de maat, dan is er iets met je loos. We beginnen vanaf jaar nul. En zo geschiedde. Een moeder komt op het consultatiebureau en haar baby is volgens de norm veel te licht. ‘Mevrouw, uw kind is te mager, geeft u het wel genoeg te eten?’ En de moeder denkt: kijkt u eens naar mij. Ik ben mijn hele leven al zo mager als een lat en ook mijn moeder en oma waren dun. Eigenlijk is de hele familie wat aan de magere kant.
Een andere moeder heeft aan het eind van het schooljaar een gesprekje met de juf. De dochter zit net een half jaar in groep één. De juf zegt dat het kind achterloopt in haar sociaal-emotionele ontwikkeling en in haar taalontwikkeling. Ze wil het kind laten observeren en de internbegeleider erop zetten, want oei, oei, het voldoet niet aan de norm. Uiteindelijk doet het kind groep één een jaartje over. Probleem opgelost. De kleine gaat met sprongen vooruit zonder interne begeleiding of observaties. De moeder is opgelucht. Nee, de ontwikkeling van haar kind volgt niet de standaardlijn. Ze is wie ze is.
Een vader en moeder komen met hun kind van bijna vier bij de kinderarts. Deze kleuter heeft al vele ziekenhuisopnames en een operatie achter de rug. De kinderarts oppert: ‘Misschien is uw kind nog niet klaar voor school. Eerst maar even naar het medisch kinderdagcentrum.’ Helaas is er nog geen plaatsje vrij en komen ze eerst in een ambulant traject. Vóór ze het weten, ligt niet alleen het kind onder het vergrootglas maar ook het hele gezin. Ellenlange lijsten moeten worden ingevuld. Onderzoek na onderzoek volgt, want het kind is wat traag en daar moet toch een oorzaak voor gevonden worden. De ouders krijgen een onbehaaglijk gevoel. Welk stempel willen ze ons kind voor de rest van haar leven meegeven? De ouders uiten hun twijfel en krijgen als antwoord: ‘Wacht u nu maar rustig af wat er uit onze onderzoeken komt en wat ons advies is. Tot dan kan uw kind best op het kinderdagverblijf.’
Dat klinkt als dwang.
De ouders besluiten het roer zelf stevig in handen te houden en gaan op zoek naar een leuke school voor hun kind. Apetrots gaat de kleine meid naar school. De juf is nog wat huiverig na alle verhalen over dit kind. Maar het valt mee. Naast school krijgt het kind logopedie en fysiotherapie. Ze zal er wat langer over doen, maar is dat erg?
Een docent krijgt een leerling in de klas. Een leuke meid, die soms over anderen heen walst en af en toe wat extra hulp nodig heeft, maar verder een pientere dame is met gevoel voor humor. Op een stage gaat het op een gegeven moment mis. Het meisje is niet gemotiveerd. De docent gaat met haar in gesprek. ‘Ik moet u iets vertellen,’ zegt ze, ‘ik heb adhd, pddnos en mdd of zoiets.’ De docent is verbaasd. Tja, het is geen standaardkind, maar wie is dat wel? De stageplek wordt ingelicht. Ook daar zijn ze verrast. Samen besluiten ze te kijken waar de knelpunten liggen. Uiteindelijk behaalt het meisje een voldoende voor haar stage. De volgende stage is een plek waar ze zich als een vis in het water voelt. Dit keer heeft ze haar leiddinggevenden wel direct ingelicht – hoewel ze huiverig is voor een ‘stempel’ – maar van haar beperkingen heeft de stagebegeleider niks gemerkt. Alles verloopt prima. De docent vraagt zich dan ook af in hoeverre de eerste stage mis ging door de adhd enzovoorts, of door een gebrek aan motivatie. De diagnose adhd, pddnos en mdd was gesteld op de basisschool. Was deze diagnose nog wel relevant, gezien de ontwikkeling die de leerlinge sindsdien had doorgemaakt?
Conclusie: het standaardkind bestaat niet. En: een stempel is snel gezet, maar veel minder snel gewist.