Column
Column: Pubers, ik lust ze rauw
door Hugo van Gendt
‘Pubers, ik lust ze rauw’. Dat was de mening van Mieke, mijn vrouw, toen
we het over de ontwikkeling en opvoeding van kinderen hadden. Dit was
in de jaren dat wij nog niet definitief voor het ouderschap hadden
gekozen.
Meer
We liepen samen de verschillende stadia van het ouder zijn door en
probeerden ons voor te stellen hoe je die beleeft. Zoals veel mannen was
ik niet dol op baby’tjes en had het idee dat kinderen pas leuk worden
als je met ze kan praten (ik wist nog niet hoeveel er aan je gevoelens
verandert als je eigen kind in de wieg ligt). Daarnaast vond ik pubers
natuurlijk interessant (anders kan je nooit zoveel jaren met plezier
voor de klas staan), maar waarschuwde Mieke wel dat het niet gemakkelijk
zou worden om ze op te voeden. Zij vond dat onzin en zag er juist naar
uit. De pubertijd is echt de meest interessante periode in de
ontwikkeling van kinderen, vond ze. Het leek haar heerlijk om te zien
hoe pubers in opstand komen tegen de gevestigde orde en hun eigen weg in
het leven vinden. Hoe anders beleef je zoiets als je zelf die
gevestigde orde bent geworden.
Mijn ervaring in die tijd was met kinderen van ongeveer 12 tot 18 jaar.
Ik zag ze binnenkomen in de brugklas, kleine jongetjes met te grote
tassen en jongens die wat groter waren en al een beetje stoer. Daarnaast
heel kleine stille meisjes, maar ook van die uit de kluiten gewassen
jongedames met al een beetje mascara en half afgesleten nagellak. Enkele
meisjes zaten, volgens hun ouders, al in de puberteit: ze waren thuis
opstandig. Op school merkte je daar weinig van, er was veel onderlinge
rivaliteit, maar voor de docenten waren ze over het algemeen poeslief.
In klas twee begonnen de meeste jongens ook te puberen en waren de
klassenfeesten problematisch: de meisjes wilden met de jongens dansen,
maar die durfden nog niet. Aan het einde van klas twee begon pas de
toenadering tussen de twee seksen. In klas 3 en hoger kwam ik overwegend
jonge (bijna) volwassenen tegen, met wie een goed gesprek te voeren
was. Toch wist ik uit de verhalen van de ouders van deze kinderen, dat
ze thuis vaak heel moeilijk waren. De uitdrukking van mijn schoonmoeder:
‘hoe groter de kinderen, des te groter de zorgen’ werd door veel ouders
van mijn leerlingen onderschreven. Op school ben ik maar zelden echt
vervelende kinderen tegen gekomen.
Toen onze eigen kinderen de puberteit in gingen, merkten we daar bij
beiden in eerste instantie niet veel van. Toch hadden ook zij wel hun
luimen. Ik heb het altijd heel boeiend gevonden te bemerken hoe pubers,
gestuurd door hun hormoonhuishouding, vrij onverwacht van alles en nog
wat vinden en willen. Heel vaak onredelijk, soms zelfs flink in hun
eigen nadeel, maar toch moet het. Het ontwikkelen van een eigen wil moet
je als ouder heel serieus nemen, maar intussen wil je je kinderen toch
ook tegen zichzelf beschermen. Onze kinderen waren geen uitzondering;
van tijd tot tijd was er wel onenigheid.
Uit principe deelden wij geen lijfstraffen uit. Gevolg daarvan waren
ellenlange discussies over wat er allemaal wel en niet van de kinderen
werd verwacht. Ooit ontlokte dat mijn zoon de verzuchting: ‘Waarom sla
je me gewoon niet zoals andere vaders dat doen. Ik word doodziek van al
dat gepreek.’ Omdat zij altijd thuis was voor de kinderen, heeft Mieke
het het zwaarst te verduren gehad. Zodra er op school iets mis was
gegaan, of in vriendschappen stress was ontstaan, kreeg zij meteen de
wind van voren. Andere mensen waren altijd enthousiast over het gedrag
van onze kinderen, ook in de perioden dat hun gedrag thuis nogal wat te
wensen over liet. Over het algemeen vonden we dat prima, maar soms
verzuchtten we wel dat andersom ook wel rustig zou zijn: thuis lief en
elders vervelend.
Al met al hebben haar inspanningen twee geweldige jonge mensen
opgeleverd (je schijnt een ontaarde vader te zijn als je dat niet
vindt), die ieder hun eigen weg in het leven gevonden hebben. Wij zijn
natuurlijk heel erg benieuwd of zij later ook kinderen gaan opvoeden en
vooral hoe ze met hun pubers om zullen gaan.