Column Tom Luken
Loopbaanontwikkelingen
door Tom Luken
Enige tijd geleden verzuchtte Doekle Terpstra, voorzitter van de HBO-raad: ‘Veel studenten stoppen al binnen een week. Dan denk je: hadden die niet wat beter over hun studiekeuze kunnen nadenken?’ Er is een wijdverspreid geloof, dat je voor goede keuzen goed moet nadenken. Hoe gefundeerd is deze overtuiging?
Professor Ap Dijksterhuis biedt in zijn bestseller ‘Het slimme onbewuste’ een overzicht van een behoorlijk aantal experimenten, die door hemzelf en door anderen werden uitgevoerd. In veel gevallen blijkt dat proefpersonen die de opdracht krijgen na te denken over een keuze, minder goede keuzen maken dan proefpersonen die op hun gevoel moeten kiezen of die niet de gelegenheid krijgen om na te denken. Dijksterhuis noemt voorbeelden van keuzen op het gebied van huizen, auto’s, jam, posters, enzovoort.
Er zijn ook voorbeelden op het gebied van de studieloopbaan. Reeds in 1991 voerden Wilson en Schooler in de Verenigde Staten een zorgvuldig opgezet experiment uit. Hieraan deden 243 net gestarte psychologiestudenten mee. Zij kregen informatie over een aantal keuzevakken. Het ging om een realistische situatie: zij moesten in werkelijkheid uit deze vakken kiezen. De studenten werden verdeeld over drie groepen. Groep A kreeg de opdracht om per stukje informatie aan te geven of dit de kans vergrootte of verkleinde dat hij of zij het betreffende vak zou kiezen. Groep B moest, terwijl de informatie gelezen werd, nadenken over de redenen waarom hij of zij het vak wel of niet zou willen. Groep C kreeg alleen de instructie om de informatie zorgvuldig te lezen en moest vervolgens een vragenlijst invullen over niet direct gerelateerde onderwerpen. Groep A en B kregen dus een verwerkingsopdracht die hen tot nadenken aanzette. Bij groep C werd het nadenken juist belemmerd.
Hierna werden verschillende metingen gedaan. Een eerste bevinding was dat er tussen de drie groepen geen verschil was in de hoeveelheid informatie die onthouden werd. Echter: groep C onthield meer van de belangrijke informatie (belangrijkheid was beoordeeld door docenten).
Een tweede uitkomst ging over de vraag hoe aantrekkelijk de studenten de verschillende vakken vonden. In groep A en B lagen die beoordelingen dichter bij elkaar dan in groep C. Het is voor hen daarom moeilijker om te kiezen.
Een derde en belangrijkste conclusie was, dat de studenten in groep C vaker vakken kozen waarvan ouderejaarsstudenten zeiden dat het de beste vakken waren. Zij gingen ook relatief vaak door in die vakken. Met andere woorden: zij maakten betere keuzen.
Hoe kan dit? De verklaring die Wilson en Schooler voor de slechtere keuzen van de nadenkende studenten opperen, is dat mensen door het nadenken hun criteria veranderen. Mensen overbelichten geloofwaardig geachte aspecten, en onderbelichten de kanten die moeilijk ‘te
verkopen’ zijn. People change their mind about how they feel. Dijksterhuis zegt iets vergelijkbaars: ‘Het probleem is dat veel nadenken ertoe leidt dat de argumenten die verbaliseerbaar zijn, belangrijker gemaakt worden dan ze in feite zouden moeten zijn.’
Nadenken wordt vaak voorgesteld als een innerlijk gesprek dat de persoon heeft met zichzelf. Correcter is de voorstelling dat het meeste nadenken verloopt als een innerlijk gesprek met anderen. Zeker als de persoon in een ontwikkelingsstadium verkeert, waarin deze belang hecht aan de verbondenheid met en goedkeuring van anderen (familie, peers, collega’s). De meeste adolescenten
en jongvolwassenen bevinden zich in een dergelijk stadium. Nadenken krijgt de inhoud van een mentale voorbereiding op het verdedigen en verantwoorden van keuzen naar anderen toe. Het eigen gevoel kan dan ondergesneeuwd raken. Voor goede keuzen is dit eigen gevoel belangrijk. Dit is vaak vaag en moeilijk te verwoorden, maar zegt iets over wat diepere, onbewuste lagen van de persoonlijkheid vinden. Keuzen die op dit diepere niveau kloppen, lopen minder kans verderop in het leven gecorrigeerd te moeten worden. En zo kan nadenken het maken van goede keuzen in de weg staan.
Tom Luken is arbeids- en organisatiepsycholoog en werkt als onafhankelijk onderzoeker en adviseur bij loopbaanvraagstukken.